
Midden jaren ’70, een tijd waarin de dienstplicht niet zozeer een plicht was, maar een loterij waar je hoopte die te verliezen. Ik kreeg dus een oproep in de bus of ik mij voor de keuring in Delft wilde melden.
Ik had een gaatje in mijn trommelvlies, niet het soort gaatje dat je met een pleister dicht, maar één dat mij wellicht een vrijstelling gaf voor die militaire waanzin. Ik was namelijk behoorlijk doof. Ik hoopte dus, als zovelen in die tijd, afgekeurd te worden. Niet dus. Zij moesten en zouden mij na het schoolexamen hebben.
Ik was al klimmende in mijn werknemers-ambitie toen eindelijk mijn oproep kwam en of ik mij over zes weken voor de militaire opleiding in Ede wilde melden.
Alsof de overheid dacht: “Hij heeft toch niets beters te doen dan te leren hoe je een geweer schoonmaakt.”
Daarbij, ze wilden me niet alleen in uniform, ze wilden me ook nog eens een streepje hoger zetten. Tot mijn ongeloof en schrikbeeld zou ik een officiersopleiding krijgen en daardoor mijn straf verlengen met nog eens zes weken hel.
Alsof een gewone diensttijd, waarin je leerde hoe je bier moest zuipen, hoe je seksboekjes moest lezen en hoe je tanken moest poetsen tot de verf eraf was, waarna je ze meteen opnieuw mocht schilderen, niet al genoeg was om je levenslust om zeep te helpen.
In een wanhopige poging om mijn militaire lot te ontlopen, sleepte ik, na advies bij een advocaat, mijn werkgever mee naar de Hoge Raad der Nederlanden. Ik hoopte op een afkeuring onder het mom van ‘persoonlijke onmisbaarheid’ voor de firma. Maar nee, zelfs de Raad vond dat ik beter kon dienen met een geweer dan met een gezonde dosis ambitie.
Maar toen… eindelijk een lichtje in de duisternis! Mijn moeder, mag ze rusten in vrede, bleek de erfelijke ziekte van ‘von Willebrand’ te hebben. Een ziekte waarbij de ene keer je bloed wel en de andere keer niet stolt. En ik?
Ik, met al mijn geluk, bleek die ziekte ook te hebben. Na een brief van de medisch specialist aan de legerchef werd ik alsnog afgekeurd.
En zo, door een bizarre speling van het medisch noodlot, werd ik ineens ongeschikt voor het leger, ik kon niet alleen mijn volle verhuisdoos met mijn papieren dossier maar ook mijn militaire ambities zo de prullenbak in flikkeren.
Raar maar waar, het leger wil geen doden op zijn geweten hebben, tenzij het in een oorlog is, natuurlijk.
En mijn werk? Ik heb daar 36 jaar met veel plezier gewerkt met om de zoveel jaar een andere functie of takenpakket.
