Kamperen met Gilles de la Tourette

Ik haat kamperen. Altijd al gedaan, nou ja, niet altijd maar toch zeker wel vanaf mijn 21e ofzo.

Maar mijn toenmalige verloofde, nu mijn ex, en niet voor niets dus, dacht dat ze me kon bekeren met een “luxe” camping in het midden van nergens. “Ze hebben elektriciteit en warm water!” zei ze, alsof dat mijn afkeer voor tentharingen en mensen om me heen zou wegnemen.

Ik ging mee, want liefde maakt blind en dom. Na een tyfus-eind rijden, serieus, mijn kont was vierkant, kwamen we aan bij “de” camping. De slagboom ging open en wat zag ik? Een leger jongeren, hangend op kratjes bier, met tafels gebouwd van, je raadt het al, kratjes bier. Overal lege blikjes, schreeuwende pubers en de geur van verschaald pils.

“Draai maar om,” zei ik. “Hier blijf ik niet.” Nog voordat we onze plek zagen, scheurden we weg. Mijn ex keek me aan alsof ik een drama-queen was, maar ik wist: dit wordt alleen maar erger.

En ja hoor, het werd erger.

Omdat we overhaast een andere camping moesten vinden, belandden we op een trekkersveld-plek die “luxe” interpreteerde als “je mag blij zijn dat er überhaupt een wc is”.

Geen elektriciteit, dus mijn campinglamp bleef nutteloos in de kofferbak liggen. Geen warm water, dus ik waste me met ijskoude straaltjes die mijn ziel in mijn lichaam liet krimpen tot iets wat alleen mannen weten die weleens uren op het ijs hebben gestaan ter aanmoediging van een Elfstedentocht peloton bij 18 graden onder nul.

En de toiletten? Een openbare nachtmerrie, altijd onder de stront, hoe vaak ze ook werden schoongemaakt. Ik zweer dat ik een keer een drol zag die zo groot was dat hij waarschijnlijk stemrecht had.

Maar het echte dieptepunt? Mijn buurman. Een Gilles de la Tourette-patiënt die elke twee minuten “HUUUUUH!” brulde, als een krolse hengst die zijn kans ruikt bij een merrie. En het ergste?

Zelfs in zijn slaap ging hij door. “HUUUUUH!” om drie uur ’s nachts, “HUUUUUH” om half zes. Iedere keer weer een nietszeggende “HUUUUUH”. Ik lag in mijn tent, klem tussen een lekkend luchtbed en mijn ex die zei: “Misschien moet je het omarmen.” Omarmen? Ik wilde hem een tentharing door zijn strot rammen en daarna door de mijne.

Dit was geen vakantie, dit was een strafkamp. En wie geef ik de schuld?

De linkse hoek, natuurlijk. Die voorlopers van de woke community die eind jaren ’90 al rondliepen met hun “terug naar de natuur”-onzin. Kamperen is hun schuld. Zij hebben ons wijsgemaakt dat je gelukkig wordt van een tent en een kampvuur, terwijl je in werkelijkheid wordt opgevreten door muggen, geterroriseerd door schreeuwende buren of iedere ochtend weer die eindeloze stroom voorbijgangers inclusief slecht verborgen toiletrol onder hun arm, met elke keer weer een goedbedoelde “goede morgen”.

Rot op met je “goede morgen”. Als je dat echt meent zou je je bek wel houden.

Ze verkochten ons deze onzin als “authentiek” en “duurzaam”, terwijl ze zelf waarschijnlijk in een hotel zaten met airco en roomservice. Als ik toen wist wat ik nu weet, had ik mijn ex verteld dat “fijn uit kamperen” ook kan betekenen: een all-inclusive in Turkije.

Het toppunt van de ellende kwam op dag drie. Ik probeerde een blik bonen te koken op een campinggasstel dat meer rook spuwde dan een verboden dieseltje in Amsterdam-Centrum.

Mijn ex stond erbij te zingen over hoe “gezellig” dit was, terwijl ik een lepel bruine drap at die smaakte naar teleurstelling en verdriet. Ondertussen brulde mijn buurman “HUUUUUH!” en begon een tirade over hoe tentharingen “KUTZOOI!” waren. Ik snapte hem wel.

Maar toen mijn ex voorstelde om met de buren te gaan “verbinden” tijdens een kampvuur, knapte er iets. Ik pakte mijn spullen, gooide ze in de auto en zei: “Ik slaap liever in de auto.” Dat was waarschijnlijk het begin van het einde van onze relatie.

Kamperen is een complot van de linkse natuurfreaks. Ze willen ons laten lijden onder het mom van “één met de natuur”. Maar weet je wat? De natuur haat ons. Muggen, koude douches, schreeuwende buren, te koud, te warm, het is een samenzwering om ons te breken. Mijn ex mocht dan denken dat een luxe camping mij zou redden, maar ik weet beter. Volgende keer boek ik een hotel met wifi, een minibar en een slot op de deur.

En mijn buurman? Die mag zijn “HUUUUUH!” en tochtige merrie houden. Tjezus, wat een doffe ellende.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *